September

geboren
overleden

25
september

Remy C. van de Kerckhove (1921-1958)

Patricia Lasoen (1948)

Frans August Brocatus (1957)

Tocht

 

Langs de Visspaanstraat
loopt ze verloren
met reismand en poes.
Langs heiligenprenten
de rozenkransen
de tuinkabouters
de waterpomp.
Langs de vuilniszakken
de waterplassen
het vermoeden van ratten.
De paadjes zijn effen
het hekken knarst niet
de gewassen zijn jong.
Hier kleven geen bladeren
aan de stoep
geen salpeter in oude kelderkasten
geen lekkende zolders.
Van achter bewasemde raampjes
kijken gewassen vrouwen
tochtloos, grootmoedig naar buiten.
Een zwartharige heks
roept met rode stem
een verwensing op oude wijze.

Patricia Lasoen
In: Dubbelzanger (2002)

24
september

Joke van Leeuwen (1952)

Renée van Riessen (1954)

Peter Theunynck (1960);

John Schoorl (1961)

Arnold Jansen op de Haar (1962)

Mark Boog (1970)

Laurine Verweijen (1981)

Olaf Douwes Dekker (1941-2018)

Stella Maris

 

Ik heb een eigen 'zuster maan'
niet aan de hemel wil zij staan,

zij wil niet bij de aarde horen -
ze kiest haar eigen baan, daarboven

en wandelt door de kou - een tak
die ongemerkt de band verbrak.

Zij is een ster - ik ben op zee
in stilte reist ze - met mij mee.

Renée van Riessen
In: Gevleugeld/ontvleugeld (1996)

23
september

Ellen Warmond (1930-2011)

Leyn Leynse (1941-2006)

Inge Boulonois (1945)

Ben Klein (1951)

Yvonne Né (1958)

Hannah van Binsbergen (1993)

Mak Zeiler (1928-2001)

Hugo Raes (1929-2013)

Het strand van de kinderjaren

 

Het strand van de kinderjaren. Ik hield mijn hart
aan de borst van de zee. De korrels metselde ik
tot dromen en kastelen aaneen, mijn glimlach
de mortel. Maar de golven leefden zo snel.

Yvonne Né

In: Dun land (1994)

22
september

Jaap Harten (1930-2017)

Hans Sleutelaar (1935-2020)

Rudolph Korsten (1965)

Peter Drehmanns (1960)

Dirk Opperman (1914-1985)

Thea Witteveen (1929-2017)

Achter het roestig

hek, in het doolhof

van de roos, naar

de koele grotten

van de slaap, waar

de wind ruist van haar

jurk, waarin ze aanligt

bij wolvinnen

en hoger honing drinkt

uit de wrede tepels

van jacht & schikgodinnen

en, als de avond komt

symbolen werpt

in het vochtig

wilde gras …

 

Rudolf Korsten

In: Solis SacerdotibuS (1998)

21
september

Aya Zikken (1919-2013)

Dick Steenkamp (1924-1980)

Harry Scholten (1936-1982)

Xavier Roelens (1976)

Jo Verbruggen (1931-2006)

Jeroen Mettes (1978-2006)

Een zakdoek in de oceaan

 

tijdens het stillezen
een snikhete zomerdag 1948
stapte hij opeens de bank uit
liep naar voren naar de wereldkaart
doopte zijn zakdoek in de oceaan
depte daarmee aandachtig het voorhoofd
liep bedaard terug naar zijn plaats
en las toen zichtbaar verfrist verder

 

Harry Scholten
uit: Een zakdoek in de oceaan (1973)

20
september

F.L. Bastet (1926-2008)

Willem Kuiter (1938)

Adriaan de Roover (1923-2016)

Jaarring

 

Schreeuw niet, laat het stil zijn

als een landschap in de sneeuw.

De vissen sterven onder het ijs,

de berijpte bomen willen wel wenen

maar kunnen niet.

Er is niemand hier die helpen kan.

 

Schreeuw niet. Er blijft niets over dan

 in schijndood bevroren liggen

en ouder worden in stilte.

 

Ouder,

een jaarring sterker.

 

F.L. Bastet

In: Catacomben (1980)

 

 

19
september

C. Rijnsdorp (1894-1982)

Ingrid Jonker (1933-1965)

Bernard Sijtsma (1938-1991)

Inge Braeckman (1974)

Bert Bakker (1912-1969)

Louise van Santen (1924-2014)

De morgen ben jij

 

De lucht is vol rozen
de rozen zijn weerloos
weerloos je handen je ogen
roos van je mond
de morgen ben jij
weerloze roos van de morgen
wond van de rozen

Ingrid Jonker
In: Ik herhaal je (2000)

 

18
september

Michael Deak (1920-2016)

Armando (1929-2018)

Koen Stassijns (1953)

Kurt De Boodt (1969)

H.A. Gomperts (1915-1998)

Andreas Burnier (1931-2002)

Wie zal de nacht in strikken binden?

 

Wie zal de nacht in strikken binden?
Je naam heb ik nog niet vergeten,
maar op het zachte weefgetouw geweven,
zoals een roos bloeit in de wind.
Ik heb je naam goed opgeschreven
en aan een wit papier gehangen
waar kinderen mee spelen kunnen,
zodat je naam in hun verlangen
bewaard zal blijven voor de wind.
De slanke dansen van verdriet
heb ik 's nachts op het plein gedanst,
de zee, de sterren en het strand
zijn weggegleden uit mijn hand.
Maar dansend heb ik onbezonnen
je naam geroepen tot de muren,
totdat de huizen binnenst buiten
schaterlachten van verdriet.
Terwijl ik in mijn dorpen liep,
heb ik gevraagd om de beminden:
waar kan men oude namen vinden?
Wie kent de naam die mij verliet?
Wie deelt de droom die in mij sliep
en zak het hart in bloemen winden?

Andreas Burnier
In: Na de laatste keer (1961) 

 

17
september

Omer Karel De Laey (1876-1909)

Toon Hermans (1916-2000)

Mischa de Vreede (1936-2020)

H.H. ter Balkt (1938-2015)

Bea De Longie (1951)

Piet Gerbrandy (1958)

Noêma Celeste Nijboer (1987)

Groot slaaplied

 

Kom catelijne
mijn lieve kleine
mijn ik in het reine
kom bij me
gaan we terug
naar het ongeboren zijn
wees niet bang voor de slaap
ik blijf bij je
wees niet bang voor de nacht
want ik heb je nacht
wees niet bang voor het water
ik maakte het water
het water is goed
en het draagt je
het wordt weer als vroeger
ik voed je met mijn bloed
ik kleed je met mijn huid
binnen mijn heupen
bouw ik je huis
vanzelfsprekend
heb ik je lief als mezelf
zijn wij naakt voor elkaar
en kennen elkaars binnenkant

mijn naaste naaste
ik wil je sparen
zacht neem ik je mee
vaar met mij
in mijn binnenzee
door de nauwe ingang
van het leven
terug in de wijde
dood

Mischa de Vreede
In: Met huid en hand (1959)

16
september

Til Brugman (1888-1958)

Breyten Breytenbach (1939)

Alfred Schaffer (1973)

Niels Hansson (1947-2000)

Kleine gezichten

 

Broers beschermen elkaar met messen
en stenen. Ze zijn jong en groot,
op zoek naar een vijand en vinden hem,
dagen hem uit.

Ze maken hun jongere broers vroeg wijs,
met hun kleine gezichten
waarop veel geschreven staat.
Hun moeder heeft de mooiste stem van alle moeders.

Op een bewolkte vakantiedag
voldoen de broers aan hun broederplicht,
dromen dat zij mannen werden
en zien niet vooruit.

Alfred Schaffer
In: Zijn opkomst in de voorstad (2000)

15
september

J.J. Slauerhoff (1898-1936)

Lucebert (1924-1994)

Wolfgang Jansen (1935-2019)

Herman Gorter (1864-1927)

Hans van Straten (1923-2004)

Clara Haesaert (1924-2018)

visser van ma yuan

 

onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser

Lucebert
In: van de afgrond en de luchtmens (1953)

14
september

Edward B. Koster (1861-1937)

Corly Verlooghen (1932-2019)

Hans Faverey (1933-1990)

Martin Hartkamp (1943)

Vrouwkje Tuinman (1974)

Zodra ik mijn ogen opsla

 

Zodra ik mijn ogen opsla
is het onzichtbare mij ontglipt
en begin ik te zien wat ik zie:
herinneringen aan wat ik zag
en ooit al zal zien. Door te zien
blijf ik mij herinneren;
en hoop ik dat ik besta.
Vooral als ik naar haar kijk
wanneer zij zo haar hand door
haar haar haalt, haar elleboog
steunend op haar knie, en zij
iets tegen mij zegt.

Hans Faverey
In: Verzamelde gedichten (3de druk, 2000)

 

13
september

Muus Jacobse (1909-1972)

Else Kemps (1995)

Ignaas Veys (1946-1996)

Johan Diepstraten (1951-1999)

Arthur Lava (1955-2020)

Hoe de stemming er in te houden

 

Hé bermtoerist
langs uitvalswegen van je verlangens.

Hé vaandelzwaaier
op de afslag Wanhoop-Noord.

Laat je toch niet verneuken man,
je hoofd is echt geen voddenkraam
vol halfvergane geestdrift.
Wie heeft je dat ooit wijsgemaakt?

Kom op, de vlegeljaren zijn
nog altijd op de pof.
Vannacht gaan we de kroegen af
en maken zelfbedrog het hof.

Arthur Lava
In: Bravissimo! (1994)

12
september

Chris J. van Geel (1917-1974)

J.W. Schulte Nordholt (1920-1995)

Harry Hoogstraten (1941)

Michaël Zeeman (1958-2009)

Bert van Weenen (1962)

Jacques Benoït (1901-1991)

Reinold Kuipers (1914-2005)

John O’Mill (1915-2005)

Oktoberkauwen

 

Wanneer het mist en windstil is
hoor je van kauwen in de bomen
het drukke praten dingend on-
nerveus, het zich verplaatsen zonder
drukte, het huiselijke met
verstand, en je bent thuis als het
oktober is, dichtbij de nacht.
 

Chr. J. van Geel

In: Onverzamelde gedichten (2014)

 

11
september

Bergman (1921-2009)

Piet-Hein Houben (1931)

Eddy van Vliet (1942-2002)

Victor Schiferli (1967)

Arthur van Schendel (1874-1946)

Agnes de Graaf (1948-2016)

Steeds

 

Dit is de zee: een bed met baldakijn
voor losse vlechten en losbandig licht,
voor blauwe ruimte en voor evenwicht
in de beweging van het samenzijn.

Dit is mijn zee: de dans tot op de huid
met sluiers water, golven en de stroom
verslingerd aan de voorsprong op de droom
die zijdezacht omsingelt en omsluit.

Steeds als de leegte mij bezet, verdeelt,
draag ik mijn lichaam ijlings naar de zee;
zij neemt mijn armen en mijn benen mee
en laat mij drijven op een hand die streelt,
en laat mij vonken slaan van lieverlee
en haar bewonen als een spiegelbeeld.

Piet-Hein Houben
In: Sirene en andere gedichten ( 1982)

 

10
september

Paul van Vliet (1935)

Theo Olthuis (1941)

Hans Hagen (1955)

Serge van Duijnhoven (1970)

Pam Rueter (1906-1998)

Clem Schouwenaars (1932-1993)

Gehoorsafstand

Zondagochtend,
voorjaarswind
langs mijn balkon
met uitzicht op
de oude linde
en het massieve pand
van Petrus en Paulus.

 

In de kerk
gepland gezang.
Vanuit de boom
spontaan een lied.

 

Theo Olthuis

In: Golfslag (2006)

9
september

Gaston Durnez (1928-2019)

C.O. Jellema (1936-2003)

Paul Marijnis (1946-2008)

Lucette M. Oostenbroek (1948)

Marco Nijmeijer (1964)

Peter Nijmeijer (1947-2016)

Zolang zij waakt

 

Op tweehoog in de stad droomt ze
van vee dat pijn lijdt, een dak
dat brandend instort, en ze valt

verdiepingen lager op een matras van
haar bed. En is weer op tweehoog hoog,
al tast ze in het duister en vindt

niet wat ze zoekt. Zwart staat haar
goed en toch rouwt ze niet
altijd, wit is haar kleur voor de dieren

op zondag in haar oude dorp, na een nacht
waarin ze moeizaam vond wat ze niet
wilde, na een ochtend van weer vallen

in een bed van veren, waaruit ze dan vroeg.
Handig als je moet vliegen in een droom
om op tweehoog hoog te blijven. Handicap

voor wie bouwt aan een deur voor de dieren.
Zwart om ze te leren vliegen in de nacht,
wit om ze tweehoog hoog te doen vergeten. En

het dak, ach dat valt niet zolang zij ontwaakt.

Peter Nijmeijer
In: In duizend stukken (1995)

8
september

Anthonie Donker (1902-1965)

Elly de Waard (1940)

Frans Deschoemaecker (1954)

Joost Zwagerman (1963-2015)

Misschien hield ik van haar

 

Misschien hield ik van haar
het meest omdat ik meer

 

geworden was dan ik
ooit eerder was geweest

 

meer van mijzelf
kon geven, het meeste

 

van mijn leven

 

Elly de Waard

In: Eenzang  (1992)

 

7
september

Koos Geerds (1948)

Enny IJskes-Kooger (1913-2010)

Nel Noordzij (1923-2003)

Het dialect was een taal zonder grootspraak
en barstensvol geheimenissen:
het was meer gemaakt om te zwijgen
dan mee te delen, het had meer woorden
dan zinnen en men sprak liever
in klanken dan lettergrepen;
het was een tongentaal
voorbij de rede.

 

Met name ‘heu’ kwam erop aan,
daarmee kon men slagen of zakken;
‘heu’ was voor een man een ander ding
dan voor een vrouw; een maagd en een knaap
groetten verschillend en bij familie,
vrienden en liefde paste men steeds
de toon en sterkte aan.
Er was een ‘heu’ voor iedere
ontmoeting en bestemming
en daarom stak het nauw,
zodat men op z’n hoede bleef –
voor je het wist keek iemand in je ziel.
‘Hoe minder gelul, hoe minder spijt,’
zeiden de ouderen en ze keken wijs;
en zo was het maar net – ajuus.

 

Koos Geerds
In: Staphorst (2010)

6
september

Yge Foppema (1901-1983)

Willem Brandt (1905-1981)

Chris Ferket (1929-2009)

Durk van der Ploeg (1930)

Peter Schuddeboom (1944)

Jef van Kempen (1948

Leo Mesman (1949)

Marijn Backer (1956)

Gabriëlle Demedts (1909-2002)

Kwame Dandillo (1922-1970)

Amsterdam

 

Oververhit van de warme wol
op een wolkbevochten najaarsdag
zwetende slapen en warme voeten
geen haast gehad.

 

Lichts vriendelijkste
handdruk, bezigheden eeuwig van
dagelijksheid - zin zonder punt -
vloed. Een vliegtuig daalt
                            over Amsterdam.
Het IJ in een hoek schittert na.
                       Op de dukdalf rust meeuw.
Alles is ergens achteraf.
Geen centrum, geen hart,                        als neergesmeten
                   kinderspeelgoed droomt de stad
van zijn eigenlijke schikking, onbedacht,
wijds onder zijn eigelijke lucht

 

als een gelukkige soldaat
met ogen van hemelgoud en longen vol blauw.

 

Marijn Backer

Op: www.marijnbacker.nl

5
september

Peter van Steen (1905-1972)

Jaap Zijlstra (1933-2019);

Jos Vandeloo (1925-2015)

Michael Deak (1920-2016)

Donkere metten

 

Twee bruine vogels nestelen op het hart

van Zwarte Lientje met de blanke tanden:
dat zijn de wilde vogels van de schande,
dat zijn de stille vogels van de smart.

 

’k Weet een verscholen fjord tussen het zwart
van haar klein oerwoud. – Wie er eenmaal landde
keert er steeds weer, en vangt met warme handen
de bruine vogels op haar brandend hart. –

 

Wij hebben voor elkaar geen vreemde namen
en geen verhalen voor elkaar bedacht, –

 

wij zijn alleen maar teder en tezamen.

 

Eet van het brood dat ik je heb gebracht
en zing je liederen van Suriname
en laat mijn bloemen in je haar vannacht.

 

Voor Zwarte Lientje

 

Michael Deak
In: Aphroditis (1950)

4
september

Han G. Hoekstra (1906-1988)

Huub Graus (1943)

G.J. Resink (1911-1977)

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

Jan de Roek (1941-1971)

Fred De Swert (1945-1977)

afscheid

 

Er hapert iets, men heeft te veel gerookt, vlucht

kuchend in de boomgaard, najaar ademt

 

ternauwernood, stil als een bed is dit, het zwijgt

een mond, alleen de slakken op dood hout bewegen

 

men zou hier willen blijven zitten op een steen

uren- of eeuwenlang, terend op een boordevol

 

achtergebleven beker toen zomer vlees en geest

zich in een hees driestemmig koor even onteeuwigden –

 

Gerrit Kouwenaar

In: een geur van verbrande veren (1991)

3
september

Jacq Vogelaar (1944-2013)

Christine D’Haen (1923-2009)

Theo Sontrop (1931-2017)

Eva uit Adam slapend

 

God, op den zesden dag

beval dat Adam lag
en slapend ’t lichaam overliet;
Adam vervulde ‘t, lei het hoofd
onder een boom met bloeiend ooft
en sliep
terwijl God Eva schiep.

 

Temidden ’t woud vol wild
nu wonderlijk gestild
daar elk zijn koning willoos ziet,
temidden vogelen, vissen, ’t fier
geslacht van pels- en vederdier
en pauw,
vond hij den vorm der vrouw.

Wijl Adam onbewust
’t hoofd op de handen rust
en droomt van een aan hem gelijk,
rijst Eva uit zijn hart omhoog
gesloten nog het sluimrend oog,
en leunt
het lichaam dat God steunt.

 

Hij ziet haar teer en zwaar
gelijk een druivelaar
gerijpt in ’t paradijselijk rijk
vol donkerroden wijn, gericht
vanuit de worden naar het licht
en naakt
terwijl zij traag ontwaakt.

 

Toen hij gewillig rees
zag Adam uit zijn vlees
dat eerst geboren werd uit slijk,
de pracht van ’t paradijs vermeerd.
Zijn ogen zijn op haar gekeerd,
hij kijkt
hoe nederig zij prijkt.

 

Christine D’haen

Uit: Gedichten 1946-1958 (1958)

2
september

Willem de Mérode (1887-1939)

Frank Valkenier (1907-1999)

Johan Daisne (1912-1978)

Cees de Jong (1931)

Jan-Willem Overeem (1942-1979)

R.A. Basart (1946-2019)

Maarten van den Elzen (1954)

Norbert De Beule (1957)

Zelfportret als  Willy Slawinsky

 

De componist Gustav Mahler werd geïnspireerd
door het ritselen van een blad

 

Blad van grauwe Els of vogelkers?
Handnervig, niervormig, enkelvoudig of in trossen?
Gevleugeld blad, ingekleurd en ingetogen?
Dat ene blad van noten-
boom in verder kaalgeslagen?

 

Om het maximum uit een groente te halen
moet je ze begrijpen
Ik werk niet graag met aubergines
Ik begrijp de ziel er niet van

 

Asperges hebben de blankste ziel
Aardappelen schudden hun ziel
als los zand van zich af

 

Ik hou ook niet echt van aardappelen
Knollen! Goddeloze wratten!

 

Ook de meest eenzame fietser
moet ooit het rinkelen hebben gehoord
van een fietsbel hoog in de bolster van de kastanje

 

We hebben geen ziel
We hebben er deel aan.

 

Norbert De Beule
Uit: Vigor anorexia (2019)

 

1
september

Jeanne Reyneke van Stuwe (1874-1951)

Evarist Verdurne (1895-1914)

W.F. Hermans (1921-1995);

Theo Joekes (1923-1999)

Lucas Hüsgen (1960)

Rinske Kegel (1973)

Anne-Fleur van der Heiden (1987)

Vis

 

In geen andere ogen dan
de jouwe is het licht
zoals het in de vroege avond
door gesloten luxaflex heen piept

 

Sijpelend, dansend stof
bijna verdwenen
in het vreemdgaan
in het zuchten over andermans dromen
in de naïeve wens voor eeuwig te willen leven

 

Zoals een pit in de groenbak
de bijvangst in een visnet
nergens zo tergend hoopvol
zo naar adem happend

 

Rinske Kegel

Op: meandermagazine.nl (2018)

Inloggen / registreren

Ik ben al gebruiker

Voer uw e-mail adres en uw wachtwoord in om u op de website te identificeren.

 

Wachtwoord vergeten?

 

Schakel JavaScript in om gebruik te maken van onze inlogfunctie

Voer uw e-mailadres in en klik op herstellen. Als u met het ingevoerde adres inderdaad al een account heeft bij ons zult u per e-mail een nieuw wachtwoord ontvangen.

Ik wens gebruiker te worden

Registreren Sluit popup